Inflatie betekent dat het algemene prijspeil in een land stijgt en geld daardoor minder waard wordt. Als je vandaag voor 100 euro boodschappen doet, kost hetzelfde pakket producten over een jaar misschien 102 euro. Die 2 euro extra is het gevolg van inflatie.

Inflatie simpel uitgelegd

Inflatie is eigenlijk heel eenvoudig te begrijpen. Stel je voor dat je elke week voor 50 euro boodschappen doet bij dezelfde supermarkt. Je koopt altijd dezelfde producten: brood, melk, appels, vlees en pasta. Nu merk je dat je na een jaar voor ditzelfde boodschappenlijstje 52 euro moet betalen.

Die 2 euro extra komt niet doordat je meer hebt gekocht. De prijzen van je producten zijn gemiddeld gestegen. Dat is inflatie: het algemene prijspeil gaat omhoog.

Het betekent ook dat je geld minder waard wordt. Met dezelfde 50 euro kun je nu minder kopen dan een jaar geleden. Economen noemen dit verlies van koopkracht. Je euro's hebben letterlijk minder koopkracht gekregen.

Inflatie raakt iedereen, maar het valt niet altijd meteen op. Een brood dat van 1,20 euro naar 1,25 euro gaat, merk je misschien nauwelijks. Maar als alle prijzen een beetje stijgen, telt het op.

Hoe wordt inflatie gemeten

Overheden meten inflatie door de prijzen van een grote groep producten en diensten te volgen. In Nederland doet het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dit. Ze maken een lijst met ongeveer 700 verschillende dingen die mensen kopen, van brood tot benzine, van huur tot kappersbezoeken.

Deze lijst heet de consumptenprijsindex, afgekort CPI. Het CBS kijkt elke maand hoeveel deze producten kosten en vergelijkt dat met een jaar eerder. Als de gemiddelde prijs met 3 procent is gestegen, dan is de inflatie 3 procent.

Niet alle producten tellen even zwaar mee. Huur neemt een groter deel van je budget in dan kauwgom, dus huur heeft meer invloed op de inflatiemeting. Het CBS weegt elk product volgens hoeveel geld mensen er gemiddeld aan uitgeven.

Er bestaan verschillende manieren om inflatie te meten. De bekendste is de harmonised index of consumer prices (HICP), die in alle EU-landen op dezelfde manier wordt berekend. Zo kunnen landen hun inflatie goed vergelijken.

Wat veroorzaakt inflatie

Inflatie ontstaat wanneer de vraag naar goederen en diensten groter wordt dan het aanbod. Stel dat er dit jaar minder appels zijn geoogst door slecht weer, maar mensen willen nog steeds evenveel appels kopen. Dan stijgt de prijs van appels.

Een andere oorzaak is dat produceren duurder wordt. Als de prijs van olie stijgt, wordt het duurder om producten te vervoeren. Bedrijven rekenen die extra kosten door aan hun klanten via hogere prijzen.

Soms komt inflatie doordat er meer geld in omloop komt. Als een centrale bank veel nieuw geld bijdrukt, hebben mensen en bedrijven meer te besteden. Meer geld achter dezelfde hoeveelheid producten betekent doorgaans hogere prijzen.

Ook verwachtingen spelen een rol. Als werknemers denken dat de prijzen gaan stijgen, eisen ze hogere lonen. Als werkgevers die hogere lonen betalen, moeten ze hun prijzen verhogen om winstgevend te blijven. Zo wordt verwachte inflatie vaak werkelijkheid.

De gevolgen van inflatie

Voor spaarders is inflatie slecht nieuws. Geld op een spaarrekening wordt elk jaar minder waard als de rente lager is dan de inflatie. Heb je 1000 euro op een rekening met 1 procent rente, terwijl de inflatie 3 procent is? Dan kun je over een jaar 2 procent minder kopen met je spaargeld.

Mensen met een vaste hypotheek profiteren juist van inflatie. Hun maandelijkse hypotheekbetaling blijft hetzelfde, maar wordt in echte koopkracht steeds kleiner. Na tien jaar inflatie voelt een hypotheek van 1500 euro per maand veel lichter aan.

Voor de economie als geheel kan een beetje inflatie gezond zijn. Het stimuleert mensen om geld uit te geven in plaats van het vast te houden. Als je weet dat producten volgend jaar duurder zijn, koop je ze liever nu. Die extra bestedingen houden de economie draaiende.

Maar te veel inflatie is gevaarlijk. Bij hoge inflatie worden prijzen onvoorspelbaar. Bedrijven durven geen lange termijnplannen te maken. Mensen gaan panisch goud kopen of andere waardebehoudende spullen, wat de prijsstijgingen verder aanwakkert.

Hoe centrale banken inflatie bestrijden

Centrale banken zoals de Europese Centrale Bank (ECB) proberen inflatie stabiel te houden. De ECB streeft naar een inflatiedoelstelling van ongeveer 2 procent per jaar. Niet nul procent, want dan bestaat er gevaar voor deflatie (dalende prijzen), wat nog schadelijker kan zijn.

Het belangrijkste wapen tegen hoge inflatie is de rente verhogen. Als sparen meer oplevert, houden mensen hun geld liever vast in plaats van het uit te geven. Minder uitgaven betekent minder vraag naar producten, wat de prijsstijgingen afremt.

Hogere rentes maken het ook duurder voor bedrijven om geld te lenen voor investeringen. Ze investeren minder, wat de economische activiteit afremt. Minder economische drukte betekent meestal minder inflatie.

Deze aanpak werkt, maar kost tijd. Het kan maanden duren voordat renteverhogingen effect hebben op de inflatie. Daarom moet een centrale bank vooruitkijken en anticiperen op problemen voordat ze groot worden.

Wanneer rente verhogen niet werkt

Soms helpt rente verhogen niet tegen inflatie. Als prijzen stijgen door externe schokken, zoals dure energie door oorlog, kan een centrale bank daar weinig aan doen. Rente verhogen maakt benzine niet goedkoper als er tekorten zijn.

In zulke gevallen accepteert een centrale bank tijdelijk hogere inflatie. Het alternatief zou zijn de rente zo hoog te zetten dat de hele economie krimpt, wat nog meer problemen veroorzaakt dan de inflatie zelf.

Bronnen

  1. CBS methodologie consumptenprijsindex Centraal Bureau voor de Statistiek, geraadpleegd december 2024
  2. ECB inflatiedoelstelling en monetair beleid Europese Centrale Bank, december 2024